Voor 'Mr. D66' was politiek een passie

Auteur: door Dick van Rietschoten |   donderdag 11 maart 2010 | 22:14 | Laatst bijgewerkt op: donderdag 11 maart 2010 | 22:15

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten

DEN HAAG – ‘Het hele woord ‘carrière’ is mij vreemd. Het is alleen al vermoeiend om eraan te denken’, zei Hans van Mierlo in 1967 na z‘n stormachtige entree in de Tweede Kamer als leider van de nieuwe politieke partij Democraten ‘66. Had hij toen geweten welke enerverende carrière de toekomst hem nog zou brengen, hij zou terstond van vermoeidheid in slaap zijn gevallen. Miljoenen kenden hem al sinds dat beroemde zwartwit-reclamefilmpje uit 1966, waarin hij als lijsttrekker van toen D66 door Amsterdam banjert.

Een man met loshangende jas en verontruste blik, mompelend dat een aantal dingen in Nederland radicaal moet veranderen. Een dergelijke aanpak was hier nog nooit vertoond, maar het werkte wel. Bij de Kamerverkiezingen van 15 februari 1967 behaalde de nieuwkomer zeven zetels en daags daarna prijkte een foto van een uitgelaten Van Mierlo met een flesje bier in de geheven hand te midden van zijn juichende aanhang op de voorpagina van de New York Times. ‘Star rises in Dutch politics’ luidde de bijbehorende krantenkop. Zowel hier als overzee werd gesproken van een Nederlandse Kennedy.

Toneel

Henricus Antonius Franciscus Maria Oliva van Mierlo - ‘Hafmo’ - werd op 18 augustus 1931 in Breda geboren. Zijn wieg stond in een welvarend rooms-katholiek milieu: vader was directeur van een steenfabriek en medefirmant van de Bank Van Mierlo, vanouds een ‘familiebank’. Die gegoede afkomst bracht hem na de oorlog bij de jezuïetenpaters van het prestigieuze Canisius College in Nijmegen, een kostschool waar acht jaar later ook Ruud Lubbers zijn opwachting zou maken.Eigenlijk wilde Hans het liefst naar de toneelschool, maar daar zagen zijn ouders niets in. Om hen te plezieren ging hij rechten studeren aan de Nijmeegse universiteit. Een van de ouderejaars die daar rondliep, zou hij later nog menigmaal tegen het lijf lopen: Dries van Agt. Van een leien dakje liep de studie allerminst. In 1957 gaf Hans er de brui aan en vertrok naar Zuid-Frankrijk, waar hij zijn kostje verdiende als houthakker, havenwerker en leerling-verslaggever bij een regionale krant. In 1959 keerde hij terug naar Nederland, studeerde alsnog snel af en solliciteerde met succes bij het Algemeen Handelsblad te Amsterdam. Hier ontmoette hij onder anderen collega Hans Gruijters, die een paar jaar later tot VVD-gemeenteraadslid in Amsterdam werd gekozen en begin 1966 met slaande deuren de VVD verliet.

Kloof

De geschiedenis van Van Mierlo is grotendeels ook de geschiedenis van zijn partij. Hij was immers een van de oprichters, de eerste partijvoorzitter en de eerste fractieleider van D66 in de Tweede Kamer. En altijd is hij de ultieme personificatie van die partij gebleven: Mr. D66.Op de redactie van het Handelsblad en in de cafés waar Van Mierlo en zijn collega’s zich geregeld laafden, was de politieke situatie van die dagen - en met name de kloof tussen de vooroorlogse en naoorlogse generatie - geregeld onderwerp van gesprek. Zo ontstond het idee om op Koninginnedag 1966 in Hotel Krasnapolsky een brainstormbijeenkomst te houden over een mogelijke nieuwe politieke beweging. Dat leidde tot zoveel positieve respons dat een groep van 36 personen op 14 oktober van dat jaar de oprichting bekendmaakte van D‘66 (toen nog met apostrof). In de daaraan voorafgaande nacht was door toedoen van KVP-fractieleider Norbert Schmelzer het ‘rooms-rode’ kabinet-Cals ten val gekomen. Er stonden nieuwe verkiezingen voor de deur en D‘66 zou daarbij van de partij zijn.Aanvankelijk wilden de oprichters Gruijters lijsttrekker maken omdat die al wat politieke ervaring had, maar Gruijters weigerde omdat hij te zeer bekend stond als ex-VVD‘er. Zo werd Van Mierlo het gezicht van de nieuwe partij.

Revolutie

De zeven zetels van 1967 werden er elf bij de verkiezingen van 1971. Van Mierlo bleek over een groot charisma en retorisch talent te beschikken. ‘We moeten de revolutie maken voor ze uitbreekt’, zei hij bijvoorbeeld in 1968. ‘Een stille revolutie, die kanalen graaft van de burgers en hun frustraties naar de centra van de macht, en dan met vreedzame middelen.’Dat soort teksten sloeg aan, evenals de wijze van opereren van Van Mierlo. Hij was toegankelijk en kon goed nuanceren en relativeren. D66 had echter wel een aantal harde speerpunten: de minister-president en ook burgemeesters moesten rechtstreeks door het volk worden gekozen, er moesten referenda mogelijk worden en er diende op allerlei terreinen meer openheid en democratie te komen.In 1972 sloot Van Mierlo met de PvdA van Joop den Uyl en de Politieke Partij Radikalen van Bas de Gaay Fortman een verbond om samen te komen tot een progressief kabinet. De verkiezingen van 1972 verliepen voor D‘66 echter teleurstellend: zij verloor vijf zetels omdat veel linksdenkenden voor de zekerheid maar PvdA hadden gestemd. Toch kwam er een in meerderheid links kabinet (met één ministerspost voor D‘66), waarin ook enkele verlichte geesten uit ARP en KVP meeregeerden. Van Mierlo had formateur Jaap Burger zelfs nog een waardevolle tip gegeven: ‘Ik ken een progressieve jonge katholieke ondernemer die best minister zou kunnen worden: Ruud Lubbers.

Progressieve volkspartij

Liep Van Mierlo’s politieke leven tot dan toe op rolletjes, privé ging het aanzienlijk stroever. Hij had al twee huwelijken achter de rug, waaruit een zoon en twee dochters waren voortgekomen.Toch kwam er kort na de installatie van het kabinet-Den Uyl ook een kras op zijn politieke blazoen. Zijn fractie verweet hem dat hij zozeer gebiologeerd was door het idee dat PvdA, D‘66 en PPR moesten samensmelten tot een progressieve volkspartij, dat hij de eigenheid van D‘66 uit het oog verloor. Van Mierlo droeg daarop het leiderschap over aan Jan Terlouw. In 1977 hield hij het politieke bedrijf zelfs helemaal voor gezien. Hij verdween uit de publiciteit en deed alleen nog wat advieswerk. In september 1981 stond hij echter opeens weer in de schijnwerpers als minister van Defensie in het tweede kabinet-Van Agt. Daarbij kreeg hij een zwaar verteerbaar gerecht op zijn bord: het al dan niet plaatsen van Amerikaanse kruisraketten in Nederland. Hij sloeg zich er echter met charme, flair en vindingrijkheid doorheen.Door het uittreden van de PvdA uit de coalitie was het ministerschap hem maar een jaar vergund, waarna Van Mierlo zich als senator terugtrok in de luwte van de politiek. Lang duurde dat echter niet, want begin 1986 maakte hij - uit vrees dat z‘n partij geheel zou verdampen - een glorieuze rentree op het politieke hoofdtoneel: hij werd opnieuw lijsttrekker voor de Tweede Kamer.

Paars

Zijn reddingsscenario werkte. D66 (nu zonder apostrof) groeide weer als kool en in 1989 leek het er zelfs even op dat de partij weer zou gaan meeregeren, ware het niet dat het CDA daar een stokje voor stak. Dat laatste gaf de getergde partijleider de definitieve duw om de geesten rijp te maken voor een kabinet zonder de al negentig jaar vanzelfsprekende en onontkoombare aanwezigheid van christendemocraten. Een paarse coalitie: progressief en liberaal, rood en blauw. Leden van PvdA, VVD en D66 spraken er al jaren informeel over, maar nu moest het er maar eens echt van komen.Aldus geschiedde. De paarse droom van Van Mierlo had zelfs zo‘n grote uitwerking dat hij D66 in 1994 het beste verkiezingsresultaat aller tijden bezorgde: 24 zetels. En de droom kwam zowaar uit: er ontstond een paars kabinet. Van Mierlo kreeg daarin een plek op het erepodium: vicepremier en minister van Buitenlandse Zaken.Het eervolle ambt viel hem echter zwaarder dan hij had verwacht. Hij was doodop, maar dat bleek te komen doordat hij bij een heupoperatie besmet was met hepatitis-C. Pas na een paar maanden was Van Mierlo hersteld en kon hij naar eigen zeggen eindelijk ‘gepassioneerd met de wereld bezig zijn.’ Toen Nederland in 1997 voorzitter van de EU was, speelde hij dan ook met duidelijk plezier zijn rol in de internationale politiek.

Na zijn afzwaaien in 1998 kreeg hij, inmiddels 67 jaar oud, de eretitel Minister van Staat. Er kwam nog een tweede paarse kabinet, maar daarna leek Nederland ‘paarsmoe’ te zijn. ‘Toch weten we nu dat het CDA niet meer per definitie de macht heeft’, stelde Van Mierlo vergenoegd vast. Die missie van D66 was in elk geval geslaagd. Anderzijds moest hij echter bitter constateren dat van al die ‘kroonjuwelen’ van D66 alleen het raadgevend referendum levensvatbaar was gebleken.Voor Van Mierlo, die eind jaren negentig een relatie aanging met schrijfster Conny Palmen, restte na zijn vertrek uit de politiek nog slechts een aantal representatieve taken, zoals het lidmaatschap van een Europese ‘denktank’ onder leiding van de Franse oud-president Giscard d‘Estaing. Die klus had hij echter nooit kunnen klaren zonder de levertransplantatie die hij in 2000 onderging. Hij was eigenlijk ten dode opgeschreven, maar de nieuwe lever betekende nieuw leven. ‘Zelfs als ik me neerslachtig voel, ben ik blij dat ik nog leef,’ zei hij daarover in 2005. En peinzend voegde hij eraan toe: ‘Dood zijn kun je nog zo lang, hè?’

 
Reacties
laatste eerstSorteer reacties

U kon tot 10-04-2010 reageren op dit artikel.