14 APRIL 2006 - ZWOLLE - Zijn nieuwe boek draagt hij op aan alle weerloze kinderen. ‘Ik heb het geschreven met de verhalen van kinderen als Rowena, Savannah en al die andere kinderen die worden mishandeld.’ De vierde wereld, zo noemt Zwolles stadsdichter en schrijver Paul Gellings de wereld die hij beschrijft in zijn nieuwe boek ‘De vulkaan en het meisje’. Vanavond wordt het gepresenteerd.
Het zijn verhalen die zich achter de gevels afspelen van woningen in sociale achterstandwijken. Met veel onzichtbaar leed - denk aan alcoholisme, psychologische mishandeling en seksueel misbruik. Paul Gellings heeft een fascinatie voor deze wereld, die geen grenzen kent. ‘Ik voel me wellicht aangetrokken tot een Boulevard of Broken Dreams’, zegt hij. ‘Gestrande figuren vind ik interessanter dan geslaagde intellectuelen.’In De vulkaan en het meisje is het de vijftigjarige Rafaël die werkt als pompbediende op een Caraïbisch vulkaaneiland. In het verleden strandde hij met zijn broertje, na een auto-ongeluk dat hun ouders fataal werd, in een plaats in het oosten van het land. Een bericht over de vuurwerkramp dat hij op het eiland leest in een Nederlandse krant voert hem terug naar die tijd, het Twente van de jaren zestig. Het is wonderlijk hoe de vuurwerkramp, of liever: het beeld van de vuurwerkramp, zich herhaalt in De vulkaan en het meisje.
Gellings: ‘De wijk Roombeek heeft model gestaan voor de omgeving waar de broertjes belanden. Anders dan mijn eerdere boeken is dit veel minder biografisch. Hoewel ik enkele figuren in het boek heb gemodelleerd naar echte mensen die ik kende.’
Poedel Jonas is zo’n uit het leven gegrepen personage. Hij en zijn vrouw worden de pleegouders van de broertjes. Er gebeurt van alles wat God verboden heeft: de broertjes slapen in een oud varkenskot, er worden auto’s omgekat, een Belgische priester wordt betaald om seks met kleine jongetjes te hebben en pleegmoeder haalt voor zichzelf frieten terwijl ze man en kinderen bonensoep voert. In het heden heeft Rafaël een relatie met het jonge prostitueetje Rosita, die in een sloppenwijk woont. Ook zij wordt het slachtoffer van wat Gellings omschrijft als een ‘dierlijk egoïsme.’
‘Het zijn mensen die net niet in de goot liggen’, zegt Gellings. ‘Ik breng in kaart wat er kan gebeuren als instanties als politie en kinderberscherming het laten afweten, wat er gebeurt als die kinderen gaan verwilderen. Ik probeer het niet te verklaren maar ik zie oorzaken in een soort dierlijk egoïsme van de opvoeders en een laksheid van de overheid. Ik verbaas me erover. Hoe bestaat het dat dit soort dingen in hemelsnaam kunnen gebeuren?’ Het is een raar soort ‘erfelijkheid’ die Gellings beschrijft: ‘Je kunt het mensen niet altijd kwalijk nemen omdat henzelf ooit ook iets vreselijks is overkomen. In mijn werk in het onderwijs heb ik te maken gehad met kinderen die afglijden doordat de ouders zijn afgegleden.’
Naargeestigheid troef dus, zou je denken. Maar zo veel leed als Gellings beschrijft, zo veel feest wordt er gevierd, in zowel het Twente van toen als op het eiland nu. En blijkt dat achterbuurt-‘volk’ niet per definitie slecht is. Toch blijft het verleden de personages achtervolgen. De geschiedenis herhaalt zich, telkenmale weer.
Paul Gellings: De vulkaan en het meisje. De Geus, 19,90













