Appel raakte het geheim van het leven

Auteur: door FRANCOISE LEDEBOER |   vrijdag 05 mei 2006 | 07:26

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten
Karel Appel is woensdag op 85-jarige leeftijd overleden. Archieffoto ANP

Karel Appel is woensdag op 85-jarige leeftijd overleden. Archieffoto ANP

5 MEI 2006 - AMSTERDAM - Nederlandse bekendste kunstenaar Karel Appel is woensdag op 85-jarige leeftijd overleden. Dat heeft zijn vriend en voormalig museumdirecteur Rudi Fuchs gisteren gezegd. De kunstenaar overleed in de Zwitserse stad Zürich, waar hij woonde. Appel leed onder meer aan een hartkwaal.
Toen Karel Appel in het voorjaar van 2000 door Wim Kayzer werd geïnterviewd voor de VPRO-televisieserie ‘Van de schoonheid en de troost’, was hij bijna tachtig. Omringd door acht schilderijen die hij uit alle fasen van zijn loopbaan had geselecteerd, vatte hij de kern samen van wat hem als kunstenaar al die jaren voor ogen had gestaan. Net als Vincent van Gogh wilde Appel ‘het geheim van het leven raken’.

Wat is dan dat geheim, wilde Kayzer natuurlijk graag weten. ‘Dat is het onuitsprekelijke. Bij een goed doek houd je je bek’, antwoordde hij met de niet mis te verstane directheid die hem kenmerkte.

Nu Nederland met Karel Christiaan Appel (25 april 1921 - 4 mei 2006) een wereldberoemd kunstenaar heeft verloren, denken een paar Amsterdamse oud-ambtenaren misschien nog eens beschaamd terug aan hoe ze hem ooit beschimpten. Via directeur Willem Sandberg van het Stedelijk Museum had Appel in 1949 de opdracht verworven voor een wandschildering in de kantine van het stadhuis. De geschokte ambtenaren, die beweerden dat ze voortaan geen hap meer door de keel zouden krijgen, kregen al snel voor elkaar dat zijn ‘Vragende kinderen‘ werd afgedekt met een schot dat er vele jaren zou blijven zitten.

Zij waren lang niet de enigen die Appels vernieuwende Cobra-beeldtaal totaal niet begrepen. Sandberg gaf Appel, Corneille, Constant en andere leden van de groep vernieuwers uit Kopenhagen, Brussel en Amsterdam in 1949 weliswaar een grote expositie in zijn museum en kocht geregeld werken aan, maar dat kon het vertrek van de Nederlanders naar Parijs niet voorkomen.

Verguisd

Bij het grote publiek verguisd, ontvluchtte ook Appel het benepen kunstklimaat in de Lage Landen om zich te laven aan de avant-garde in de Franse hoofdstad. Hoe hij daar vanaf 1950 in armoedige omstandigheden woonde en werkte in een slooprijp fabriekspand tegenover de leerlooierij waar hevig stinkende koeienhuiden werden verwerkt, is een bekend verhaal .

De arme Amsterdamse kapperszoon bezocht vanaf 1942 een paar jaar de Rijksacademie van Beeldende Kunsten maar kon dat alleen bekostigen met een beurs van het door de Duitsers ingestelde departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Tegen Elseviers Weekblad zei Appel: ‘Als ik rijke ouders had gehad, had ik geen beurs voor de academie hoeven aan te vragen. Dat van die beurs is waar. Hoe kan ik mij verweren? Ik heb in de oorlog mijn broer verborgen om hem uit Duitsland te houden en toen dat uitkwam, heb ik door het land gezworven. Niemand had iets over voor kunstenaars. Ik heb tot 1953 honger geleden, ik ben bij elkaar zo’n vijftien jaar van mijn leven ondervoed geweest. Dat is nogal wat, als je dat bedenkt.’

Rotzooien

Vanaf zijn succesvolle Amerikaanse debuut in 1954 in New York lag de armoede definitief achter hem en kon hij zich reizend van atelier naar atelier voortaan zonder materiële zorgen ontplooien. In 1997 schatte het blad Quote Appels vermogen op 65 miljoen gulden. Wie ook maar een fractie van Appels schilderijen, gouaches, tekeningen en sculpturen kent, weet dat hij zich in de loop van zijn lange carrière ver verwijderde van ‘de felle heldere kleuren, simpele vormen en stevige lijnen van de vriendelijke, onschuldige kindwezens en fantasiedieren’ die Willemijn Stokvis in haar standaardwerk over COBRA prijst.

‘Laat’ hoogtepunt van zijn voortdurende drang tot vernieuwing waren de dertien doeken van ruim twee bij twee meter waarop Appel in de zomer van 2000 in het Stedelijk Museum een feestelijke lofzang van licht en kleur op het Nederlandse landschap schilderde.

In 1955 deed Appel in Vrij Nederland tegenover Jan Vrijman zijn meest geciteerde uitspraak: ‘Ik rotzooi maar een beetje aan.’ Dat was humoristisch bedoeld, maar was natuurlijk koren op de molen van de sceptici in zijn vaderland. ‘Zie je wel, dat kan mijn neefje ook’, is overigens nog steeds de obligate reactie van ‘kunstanalfabeten’ die menen dat zij toch een opinie over hedendaagse kunst moeten uiten.

Premier Balkenende noemde Karel Appel gisteravond een icoon van de naoorlogse Nederlandse kunst.

U kon tot 04-06-2006 reageren op dit artikel.


Bløfblog

Filmzoeker