KWINTSHEUL – Een lekkere salade met tomaatjes van je eigen balkon, sla uit de buurttuin en een biefstukje van de bioboer net iets buiten de stad. Stedelingen willen terug naar de bron van hun voedsel. Niks geen gesleep meer met die sperziebonen de halve aardbol over terwijl er genoeg braakliggend terrein in onze buurt is waar we die boontjes zelf kunnen verbouwen.
‘We willen weer weten waar ons eten vandaan komt’, zegt Gerda Zijlstra, die verschillende projecten leidt op het gebied van stadslandbouw in Rotterdam. ‘We zijn door de grote Albert Heijns van deze wereld ontkoppeld van ons eten en we willen dat weer terug. We willen weer voelen, weer weten wat we in onze mond stoppen.’ Die wens komt volgens haar vooral voort uit negatieve ontwikkelingen rondom voedselveiligheid en ontevredenheid over het productiesysteem.
‘Je ziet het overal ter wereld, steden die zelf in hun productie willen voorzien’, zegt Jan-Willem van der Schans, onderzoeker Rurale Sociologie van de Universiteit van Wageningen. ‘In China heb je al de eerste ‘eco-cities’ en in Amerika komt de behoefte voort uit vervallen steden als Detroit waar de supermarkten zich uit terugtrekken en stedelingen zelf aan het tuinieren slaan. Die trend is ook overgewaaid naar Nederland.’
Waarom? ‘Omdat wij het huidige systeem niet goed genoeg vinden en wij producten willen die we in de supermarkt niet kunnen vinden. Etnische producten als kousenband bijvoorbeeld, die kan je soms in de super kopen, maar de kwaliteit is erg slecht. En neem nou aardbeien, die worden groen geplukt en moeten nog twee weken rijpen in het doosje. Er zit daardoor weinig smaak aan.’
Dus willen we een kortere keten tussen het product en ons bord en gaan we het platteland naar de stad halen. In de grote steden worden daartoe diverse initiatieven ontplooid. Zoals Boerenstadwens in Amsterdam die het contact tussen stad en platteland wil bevorderen, Lekker Utregs dat het eten van lokaal geproduceerd voedsel promoot, en Eetbaar Rotterdam dat de voedselketen weer zichtbaar wil maken in de stad.
Maar misschien nog wel liever verbouwen we het gewoon helemaal zelf. Op ons balkonnetje, of in de buurtmoestuin. ‘Zelf moestuinieren neemt indrukwekkende vormen aan’, zegt Zijlstra. Gemeenten stellen steeds vaker braakliggend terrein ter beschikking voor tijdelijke buurtmoestuinen. Zoals in Rotterdam waar daklozen een tuin onderhouden vlakbij Hofplein en verderop in Noord waar de hele buurt mag oogsten en iedereen helpt met het onderhoud van een stadstuin. ‘Stadslandbouw is verschrikkelijk hot.’
‘Ik zie het overal om me heen, heel veel mensen gaan zelf tuinieren’, zegt Louise van Luijk uit Kwintsheul. Ze zit met dochter Ceder op haar rug gehurkt en plant aardbeiplantjes in de aarde. Van Luijk kreeg het braakliggende stuk grond ingeklemd tussen twee kassen in het Westland in bruikleen tot het verkocht wordt. Anderhalf jaar is ze er nu bezig met haar tuin die haar over een paar maanden weer zal voorzien van verse aardbeien, spinazie, boontjes, pastinaak, abrikozen en amandelen. ‘Ik wil graag weten wat ik eet. Bovendien is dit een stuk duurzamer. Al mijn spaargeld zit hier in de fruitbomen, ik vind bomen planten belangrijker dan spaargeld.’ Ze plant alles volgens de permacultuur, een landbouwsysteem dat uitgaat van de grond en wat die nodig heeft, waarbij de gewassen elkaar ondersteunen.
‘Uit je eigen stad’ is een initiatief van Bas de Groot en Johan Bosman die in alle grote steden, te beginnen in Rotterdam, een agrarisch bedrijf willen starten in de stad, liefst op onaantrekkelijke, tijdelijke locaties. ‘Mensen hebben weer behoefte aan écht eten.’ Dit jaar hoopt men aan de slag te kunnen. De producten moeten in een eigen winkel verkocht worden, en later hopelijk gebruikt in eigen horeca.
Klanten kunnen een abonnement nemen. ‘Zo houdt de consument grip op zijn eten.’
Voor Van Luijk is dat niet nodig, die heeft voorlopig genoeg aan haar eigen tuin. ’En als we hier weg moeten neem ik de bomen gewoon mee. Daar kan Ceder over een paar jaar lekker appeltjes van eten.’
















U kon tot 06-04-2011 reageren op dit artikel.