In de groenstrook bij Vaassen staan wilgen, eiken, witte elzen, bramenstruiken en sleedoornplanten. De aanwezigheid van vegetatie langs een weg kan de luchtverontreiniging op verschillende manieren beïnvloeden. In de eerste plaats door filtering: het afvangen van gassen en vieze deeltjes in de lucht, zoals fijnstof en stikstofdioxide. De huidmondjes van bladeren nemen gassen op. Loofbomen zouden het meest efficiënt gassen opnemen. Kleine stofdeeltjes worden niet opgenomen, maar kunnen zich hechten aan bladeren en andere plantendelen (adsorptie), daar tijdelijk verblijven en afspoelen naar de bodem tijdens neerslag. Coniferen (zoals dennen en sparren) zouden dit beter doen dan loofbomen.
Bij knooppunt Valburg langs de A50 wordt eenzelfde soort proef gedaan en bomen en struiken aangeplant.


Sorteer reacties














U kon tot 28-02-2010 reageren op dit artikel.