Margriet Pleiter, genietend temidden van (enkele voorbeelden van) glaskunst in haar galerie De Aventurijn in Epe. ,,Dit is altijd mijn passie geweest.'' foto Cees Baars
THUISINNEDERLAND - Zestien jaar was Margriet Eliazer toen ze naar Nederland kwam in 1962. Een jeugd op Aruba en Suriname lag achter haar. Met drie Antilliaanse meisje belandde jonge Margriet in een Rotterdams huisgezin. Wennen was het, heel erg wennen, die eerste maanden, eerste jaren. Maar het lukte.
Zie ook:
"Wat doe ik in Godsnaam hier, dacht ik in het begin. Ik kwam uit Suriname
gevlogen. Was gewend aan vrijstaande huizen, veelkleurigheid, warmte en een
zekere zorgloosheid. Dan opeens hier: Rotterdam, een wereldstad, allemaal
betonnen flatgebouwen, hoog, grijs en kil. Dan ook nog eens de strengste
winter sinds jaren, 1963, Reinier Paping die de Elfstedentocht wint, Mies
Bouwman die Open het Dorp presenteert op de televisie, zwart-wit. En toch,
toen ik dát zag: al die mensen die met luciferdoosjes vol geld naar de
studio kwamen om te helpen, toen begon ik bewondering te krijgen voor wat er
in Nederland kennelijk allemaal mogelijk was. Ik dacht terug aan acht jaar
daarvoor, 1953. Toen in Suriname elke maandag een paar maanden lang, geld
opgehaald werd voor die 'arme kindertjes in Nederland' die geen huis meer
hadden na de verschrikkelijke watersnoodramp in Zeeland. Toen vielen
geleidelijk aan alle puzzelstukjes op zijn plaats. En nu, bijna vijftig jaar
later, kan ik zeggen: Margriet, het is goed geweest. Je hebt hier in
Nederland een leven kunnen leiden dat je op Aruba of Suriname waarschijnlijk
niet gehad zou hebben. Ik betwijfel sterk of ik dáár gelukkiger zou zijn
geworden, dan ik hier ben. Want Nederland heeft mij veel gebracht. Veel
mogelijkheden me te ontplooien, Daar ben ik dit land erg dankbaar voor."Op
Aruba had vader Eliazer een radiozaak, moeder een kap- en schoonheidssalon.
Twee herinneringen uit haar eerste levensjaren komen boven: "Ik zie nog
dat er brand uitbrak in de bioscoop naast ons. Vrouwen renden weg vanonder
de droogkap, moeder griste me bij de hand. Ik zie nóg de rook, ruik hem. De
tweede herinnering is een paar jaar later. Prins Bernhard op bezoek in
Aruba. Aan de hand van de hulp die de was verzorgde, zwaai ik naar hem.
Tegen moeder zei ik even later trots: 'De Prins heeft naar mij gekeken,
mama!'"
Moeder sterft als Margriet elf is. "Dat heeft een grote impact op mijn
leven gehad." Oudste zus Maike neemt de leiding van het gezin (vijf
kinderen) op zich. Margriet gaat in Paramaribo, waar het gezin intussen naar
verhuisd is, naar de kweekschool. Ze wil graag met kinderen werken, het
liefst met kinderen die moeilijk opvoedbaar zijn. Zus Maike wijst haar een
nieuwe weg: "Het onderwijzersdiploma in Nederland is meer waard dan dat
van Suriname, hier. Ga naar Nederland, studeer en bepaal dan waar je wilt
wonen en werken." Zo vertrekt jonge Margriet op haar zestiende -
vervuld van heimwee én van hoop - naar Nederland waar ze uiteindelijk haar
leven vorm zal geven. Een stage op een school voor moeilijk opvoedbare
kinderen leert haar dat dát toch niet haar weg is. "Het hoofd van
de school zei me: beste meid, stop hiermee. Je trekt je het lot van de
kinderen veel te persoonlijk aan."
Margriet is het er mee eens; ze vindt werk bij een groothandel in gouden
sieraden, volgt een opleiding tot edelsmid en komt dan - jong nog steeds -
in aanraking met reisorganisatie Hotelplan. Ze wordt hostess in Zwitserland,
later Italië, begeleidt toeristen door Venetië en San Marino, komt terecht
in de kleine Oostenrijkse wintersportplaats Filzmoos in het weidse
Salzburgerland. "Daar kwam de omslag in mijn leven. Op een gegeven
moment kwam er een gast die Henk Pleiter heette, een weduwnaar. Al snel
voelde ik dat ik met deze man mijn leven wilde delen."
Negenendertig jaar zijn Margriet en Henk intussen getrouwd en het is goed zo.
Ze trouwen, wonen in Wijdewormer, het werk voert hen naar andere plaatsen:
Wezep, Drempt en nu, sinds 2003: Epe. Margriet vindt werk in de bankwereld,
klimt op bij NMB, Postbank en ING van secretaresse tot stafmedewerker
commerciële zaken in de districten Arnhem-Nijmegen en Apeldoorn. Ze werkt
met plezier maar voelt dat er toch nog één missie op haar wacht.
"Achtenvijftig was ik, er kwam weer een reorganisatie aan. Altijd al had
ik tegen Henk gezegd: 'Als ik stop met werken begin ik een kunsthandel'.
Toen het moment daar eenmaal was, heeft Henk me het laatste zetje gegeven:
'Doe het nú, nu je nog fit bent.' We vonden dit huis in Epe, waar we een
galerie aan huis bij konden maken. Een galerie van glaskunst, daar heb ik
voor gekozen. Ik weet te weinig van schilderskunst en ik wilde toch iets
uitzonderlijks hebben. Dat is glas geworden. Veel gelezen, veel kunstenaars
bezocht. Dit is het resultaat met een naam die bij me past: De Aventurijn."
"Het avontuurlijke heeft altijd in mijn bloed gezeten en heeft me keer op
keer de weg gewezen. Mijn vaders vader was jood, mijn oma een Chinese uit
Kanton. Er vloeit nogal wat verschillend bloed door mijn aderen, van alles
eigenlijk, behalve blauw bloed. Op school in Suriname had ik vriendinnen van
allerlei volksaard: Nederlanders, Chinezen, Hindoestanen, Creolen,
Afrikanen, Aziaten. Ik kwam bij mijn vriendinnen thuis, leerde hun ouders
kennen, hun gewoontes. Ik ging naar een Hindoestaanse bruiloft met al die
prachtige ceremoniëen, maar ook naar een Chinese begrafenis waar de
gebruiken weer heel anders waren. Ik heb er veel van opgestoken en de
belangrijkste les is wel: oordeel niet over een ander. Of iemand nu de Islam
aanhangt, ongelovig is, Christen of Jood, ook al heeft hij een heel andere
Godheid dan jij, hij is op de eerste plaats méns. Voor mij is er maar één
criterium: niet crimineel zijn."
"We doen elkaar vaak veel narigheid aan, leven hier in Nederland
misschien teveel náást in plaats van met elkaar. We verdiepen ons misschien
te weinig in elkaars persoonlijke achtergronden en vergeten te kijken achter
die bruine huid, dat witte gezicht of dat gele of rode gelaat. Als je dieper
kijkt naar je medemens ontstaat er vanzelf meer respect. In Nederland
bestaat soms veel 'overlast': we wijzen naar Marokkaanse jongeren. We zetten
ons af tegen elkaar, vinden het 'gek' dat een Hindoestaan meisje met een
kruisje op haar voorhoofd loopt. Maar we vragen ons niet af wat daar achter
zit. De boerka is iets anders, daar ben ik geen voorstander van, maar voor
de rest zou er meer onderling begrip kunnen zijn tussen al die verschillende
mensen, van land, van herkomst, van achtergrond. Meer saamhorigheid ook. We
kunnen zoveel van elkaar leren. Op school zou er nóg meer aandacht voor
integratie kunnen komen en wij, wij gewone mensen - ikzelf niet uitgezonderd
- zouden elkaar wat vaker de hand kunnen reiken in plaats van de afstand die
we tot elkaar houden. Ik heb Slowaakse en Zwitserse vrienden maar (nog) geen
Turkse of Marokkaanse. Er valt nog een wereld te winnen."
















U kon tot 04-10-2010 reageren op dit artikel.