3 JULI 2006 - FLEVOLAND - Een groot waterbekken in Marker- en IJsselmeer kan met waterturbines zoveel stroom opwekken, dat meer dan volledig in de Flevolandse energiebehoefte wordt voorzien. Het milieuvriendelijk opwekken van elektrische energie blijkt haalbaar.
Dat concluderen de studenten Civiele Techniek van de Hogeschool van Amsterdam, Mike Fafieanie en Sander Zaadhof. Zij onderzochten in opdracht van de Flevolandse ChristenUnie opnieuw het plan Lievense. Ir. Lievense lanceerde in de jaren tachtig het idee voor een groot waterbekken in het Markermeer, te vullen met windenergie en met waterturbines die elektriciteit opwekken. De docent die het onderzoek begeleidde was Leo Voorberg, CU-raadslid in Noordoostpolder. De studenten hebben het plan Lievense op haalbaarheid onderzocht en een simulatiemodel ontworpen om met moderne technieken verschillende varianten door te rekenen. De voorkeursvariant gaat uit van een waterbekken van bijna honderd vierkante kilometer, veertien waterturbines, acht pompen en 85 moderne windturbines. Het waterbekken is verdeeld in een segment om water te onttrekken van en te lozen op het IJsselmeer en een segment dat in verbinding staat met het Markermeer. De scheidingsdam ligt op de Houtribdijk en krijgt schuiven voor de wateruitwisseling tussen Marker- en IJsselmeer. Voordeel is de nabijheid van de Flevocentrale voor de distributie van de energie. Dat het plan ten koste gaat van IJssel- en Markermeer als grote open watervlakten, beseffen de studenten. Daar staat de winning van duurzame energie tegenover. De dijken rond de waterbekkens en hun voorlanden zijn tevens te gebruiken voor natuurontwikkeling. En de tijd is nu anders dan toen Lievense zijn plan openbaarde. De kosten zijn veel te hoog, was toenhet oordeel. Het was een tijd van dalende energieprijzen. Hoe hoog de kosten nu zijn, kunnen de onderzoekers niet goed aangeven. Dat heeft te maken met de omvang van het project en dat het lastig is in te schatten hoe duur de technische installaties zullen zijn. Technisch is het mogelijk, maatschappelijk is er nog veel te onderzoeken, is de belangrijkste conclusie.


Sorteer reacties












