ZWOLLE/KAMPEN - Het Kamper bouwbedrijf Wensink en Prins eist dat de gemeente Kampen haar alsnog een grootschalige klus in de Kamper binnenstad toewijst.
Wensink en Prins was weliswaar de laagste inschrijver bij de aanbestedingsprocedure, maar had verzuimd een bankverklaring bij het bod in te sluiten. Het bod van Wensink en Prins werd daarom ongeldig verklaard. Het gevolg; het werk werd gegund aan bouwbedrijf Van Werven, de op één na laagste inschrijver. In een kort geding vroeg Wensink en Prins daarom maandagochtend aan de Zwolse rechtbank de gemeente Kampen te dwingen die beslissing ongedaan te maken, op straffe van een dwangsom van 613.000 euro. De klus waar het om gaat is de restauratiewerkzaamheden aan de kademuren langs de Burgel en aan de Oorgats- en Kalverhekkenbrug. Zes bouwbedrijven uit Kampen werden door de gemeente uitgenodigd mee te doen aan de aanbesteding van dat werk, op woensdag 21 december werden de enveloppen met de bedragen opengemaakt op het Kamper gemeentehuis. Daar bleek dat Wensink en Prins de laagste prijs bood, maar ontstond ook de onduidelijkheid over de vereiste bankverklaring. Dat het bouwbedrijf die verklaring een dag na dato al kon leveren, deed aan de afwijzing niets af en dus wees de gemeente de klus toe aan Van Werven. Volgens Wensink en Prins bleek uit de uitnodigingsbrief niet dat de bankverklaring nodig was, maar stond dit vereiste alleen in de bestekbeschrijving. Onzin, vond de gemeente die aanvoerde dat de overige vijf bouwbedrijven de bankverklaring wel bij hun bod hadden gevoegd of die verklaring eerder hadden opgestuurd. Volgens de gemeente waren de voorwaarden voor de inschrijving 'kristalhelder', volgens Wensink en Prins was hun inschrijving afgekeurd wegens een 'formaliteit'. Centrale vraag is of het ontbreken van de bankverklaring valt onder een 'eenvoudig te herstellen gebrek' waarover de Aanbestedingswet zegt dat deze op een later moment kan worden hersteld. Want in vergelijkbare gevallen in andere steden kregen aanbieders wel de kans om op een later moment bijvoorbeeld een ISO-verklaring aan te leveren. De rechtbank vraagt zich echter af of zo'n zo'n verklaring een gelijke objectieve waarde heeft als een bankverklaring. De rechtbank gaf mede daarom aan maximaal twee weken nodig te hebben voor de uitspraak in het kort geding.


Sorteer reacties
















U kon tot 07-03-2012 reageren op dit artikel.