Volgens vossenonderzoeker Jaap Mulder is dat niet verwonderlijk. Eigenlijk is afschieten helemaal niet zinvol, constateert hij. ,,Weinig mensen realiseren zich dat door afschot de overlevingskansen van de overgebleven, vooral rondzwervende jonge vossen toenemen. Zij overleven dan winterperiodes, omdat er meer voedsel beschikbaar is. Anders waren ze gestorven en had de natuur zelf het aantal vossen gereduceerd.''
Daarnaast 'wapent' de vos zelf zich tegen de jagers. Mulder: "In gebieden waar veel op vossen wordt gejaagd zie je dat de worpgrootte per nest toeneemt. In gebieden met sterke bejaging is de worpgrootte zes jongen, als er niet wordt gejaagd is het slechts drie tot vier."
Gebieden met een sterke bejaging worden snel weer opgevuld door jonge vossen. ,,Normaal verblijft een vos in een straal van enkele kilometers rond het hol. Maar jonge vossen op zoek naar een territorium kunnen wel 20 tot 30 kilometer afleggen. Dat zijn enorme afstanden, waardoor gebieden waar vossen worden bejaagd al snel weer door vossen worden bewoond."
Dat het aantal vossen niet minder is geworden heeft trouwens nog twee oorzaken. Ten eerste is de bejaging minder intensief dan zo'n vijftig jaar geleden, toen het dier vooral nog als concurrent van de jager werd gezien. Ten tweede stierven voor pakweg 1960 nog veel vossen aan hondsdolheid. Die ziekte is inmiddels uitgebannen.
De opmars die de vos begon vanaf het moment dat-ie beschermd werd zet hij zelfs voort nu hij weer bejaagd mag worden. Als alleseter bezoekt hij tegenwoordig ook graag de buitenwijken van grote steden.


Sorteer reacties
















U kon tot 15-04-2010 reageren op dit artikel.