Eerste Achterhoekers aten vlees en vis

Auteur: door Jan Buter |   woensdag 17 december 2008 | 05:49

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten
LOCHEM/ZUTPHEN - De eerste mensen die in de Achterhoek rondliepen hadden een grote voorkeur voor de beekdalen van de Berkel, de Slinge en de Oude IJssel.
Op de oevers konden ze jagen op dieren als elanden, edelherten, wilde zwijnen en bevers. Uit het water haalden ze vissen als blankvoorn en snoek.

Dat blijkt uit onderzoek van een groot aantal deskundigen naar menselijke bewoning in relatie tot het landschap. Een onderzoek dat zijn weerslag heeft in het bij uitgeverij Matrijs verschenen boek Archeologie en beekdalen (Schatkamers van het verleden), waaraan onder anderen medewerkers van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten bijdragen hebben geleverd.

Afgravingen in beken en beekdalen, onder meer in Zutphen, Almen en Doetinchem, hebben een schat aan gegevens opgeleverd over de geschiedenis van de eerste mensen. In de Achterhoek waagden die zich voor het eerst rond 8800 voor Christus. Jagers en vissers waren het nog, die nooit lang op één plek bleven. Maar vaak wel lang genoeg om hun sporen achter te laten. In een oude afzetting van de Ooijerhoekse Laak bij Zutphen vonden archeologen twee 'afvalhopen' van deze jagers. De oudste dateert van 8650 en 8400, de andere van rond 6400 voor Christus. Botten en visresten die daarin werden aangetroffen verraden exact waarmee deze eerste Achterhoekers zich in leven hielden. Vlees en vis dus. De eerste landbouwers kwamen pas veel later.

Later ook dan elders in Nederland. Op de Limburgse lössgronden waren rond 5300 voor Christus al boeren actief, maar de (schralere) zandgronden in oostelijk Nederland waren minder geschikt om er voedsel op te verbouwen. Daar bleven jacht en visserij nog eeuwenlang de belangrijkste voedselbron. Wel kwamen er in de loop der tijd langzamerhand ook meer gedomesticeerde dieren (runderen, schapen en geiten) op het menu te staan.

Vanaf pakweg 300 voor Christus kun je in de Achterhoek spreken van een volledig agrarische gemeenschap. Het sterk beboste landschap van voor die tijd verandert langzaam maar zeker in een vrij open parkachtig landschap met akkers en grasland.

Maar de ontwikkeling van de landbouw en de ontbossing die daarmee gepaard ging eisten hun tol: grootschalige erosie en een sterk stijgende grondwaterstand. Archeologisch onderzoek in het oorspronkelijke Berkeldal bij Borculo en Winterswijk heeft laten zien hoe de de beken daarop reageerden: ze sloegen als het ware op hol door de steeds groter wordende watermassa's die ze te verstouwen kregen. Met als gevolg dat het uiteindelijk (pakweg 50 na Christus) ook geen agrarische activiteiten meer mogelijk waren. De boeren trokken weg van Berkel en Slinge. Pas in de middeleeuwen vonden weer ontginningen plaats en keerde de landbouw terug.

U kon tot 16-01-2009 reageren op dit artikel.


Nu op de homepage

Klik hier voor meer....