Nestnummer 231 in het 'werkgebied' van ooievaarsstation De Lokkerij. Vorig jaar geplaatst in Streukelerzijl bij Hasselt ter vervanging van een omgewaaide verrotte 'hoogzitter', nu alweer bewoond. foto Arjan Versprille
DE WIJK - Natuurlijk, de decennia lang dankzij bescherming en fokprogramma's flink uitgedijde ooievaarskolonie in het Drentse Reestdal en het aangrenzende Noordwest-Overijssel kan een slecht broedseizoen nog wel opvangen. Maar als dit twee jaar achter elkaar gebeurt, dan begint ook eigenaar Frits Koopman (73) van ooievaarsstation De Lokkerij - zeg maar het 'hart' van regionaal ooievaarsland - op zijn van 'uivers' vergeven erf in De Schiphorst wat zorgelijk te kijken.
Want na een rampzalig voorjaar in 2009 tekent zich in de 230 bewoonde nesten
bovenin Overijssel en onderin Drenthe ook nu weer veel dood en verderf af. "Kijk,
het is echt gortdroog", zegt Koopman, stampend op de grond tussen de
talloze nesten op palen, daken en in bomen rond zijn fraaie hoeve.
Prachtig zonnig weer vandaag op het Drentse platteland, ideaal om de eieren
warm en de kuikens droog te houden, zou de leek denken. Maar ook die schijn
bedriegt. "Net als vorig jaar tussen begin april en half juni zorgt de
droogte en daardoor lage grondwaterstand er weer voor dat pa en ma ooievaar
veel te weinig geschikt voedsel voor met name de pasgeboren jongen kunnen
vinden. Grotere brokken kunnen ze nog niet verwerken. In de eerste tijd gaat
het dan om regenwormen, kevers of grote insecten. Door de droogte is dit
menu niet of slechts mondjesmaat te vinden. Maar omdat de ouders wel
voedingsdrang hebben, pikken ze maar rotzooi. Onverteerbaar spul vol
glassplinters, steentjes en zand. Dan zie je kuikens met ogenschijnlijk
gezonde bolle buiken in het nest liggen, maar uiteindelijk sterven ze van de
honger. En overleven ze de kleine hapjes, dan zorgt droogte vervolgens voor
veel te weinig groter voer als muizen en mollen", schetst Koopman het
dilemma.
Zijn cijfers spreken helemaal boekdelen. Broedseizoen 2009 was het slechtste
voor ooievaars in deze regio in honderd jaar. Koopman: "Vorig jaar is
het gemiddelde blijven steken op net anderhalf jong per bebroed nest. Vanaf
2000 lag dit door de bank genomen op ruim twee groot geworden kuikens. Dan
heb ik het over jonge uivers die aan de wintertrek naar warmere oorden
begonnen: 415 in 2008, vorig jaar honderd minder. En dan tel ik de zeer
grote verliezen aan jonge ooievaars tijdens de trek en overwintering nog
niet eens mee. Reken maar dat 80 tot 90 procent Nederland of een andere
broedplaats in West-Europa nooit meer terugziet. Slecht vliegweer,
verkeersdoden, draadslachtoffers, windmolens, onopzettelijke vergiftiging,
maar ook opzettelijk afschot, als je vraagt naar het waarom."
Toch maar de regendans dan? "Ga je gang", lacht Koopman, "maar
sta op tijd stil. Het moet ook weer niet plenzen. Zoals vorig jaar in
Friesland. Terwijl het hier kurkdroog bleef, kwam daar een groot aantal
kuikens om door verdrinking of onderkoeling op drijfnatte nesten. Hier geen
wormen, kevers, muizen en mollen, daar nesten vol water door langdurige
stortbuien. Nee, van extreem of ongewoon grillig weer - nat of droog- wordt
de ooievaar niet vrolijk. Als 2009 een incident was, dan hoeven we nog niet
te wanhopen. Maar als hiermee een serie identiek slechte broedseizoenen
begon, dan zal de ooievaarspopulatie in Nederland en ook elders in
West-Europa er enorm van langs krijgen. En je ziet het, tot nu toe belooft
ook 2010 weinig goeds."


Sorteer reacties














U kon tot 28-05-2010 reageren op dit artikel.