Meeleven met 16e eeuwse Zutphenaren

Auteur: door Sander Grootendorst |   woensdag 30 januari 2008 | 02:59

Tekstgrootte tekst verkleinentekst vergroten
ZUTPHEN - "Laatst zei iemand tegen mij: het lijkt wel Arabisch." Niets is minder waar, de teksten waarmee Sjoerd Galema, Ria Gresnigt en Meli Kooij-van der Leur zich intensief bezighouden zijn Nederlandstalig.
Al zou je dat op het eerste gezicht niet zeggen.

Op een tafel in het Regionaal Archief aan de Spiegelstraat in Zutphen liggen twee flinke pakken papier. Origineel en kopie van een klein deel van de omvangrijke 16e-eeuwse stadsrekeningen. Bovengenoemde driekoppige werkgroep besteedt menig vrij uurtje aan het zogenoemde transcriberen daarvan. Oftewel: het leesbaar maken van wat voor de meesten van ons een Harry-Potterachtig soort geheimschrift lijkt. Ze doen dat op het archief zelf, maar, met name Melia Kooij, ook thuis – vandaar die kopieën – of zelfs in de trein. "Kwestie van efficiënt tijdgebruik", zegt Kooij nuchter.

Galema: "Vroeger werden de getranscribeerde teksten in boekvorm uitgegeven, tegenwoordig komen ze op internet."

Begin deze maand verscheen op www.regionaalarchiefzutphen.nl weer een melding dat er nieuwe 'lading' gereed was. Allemaal het uiterst secure werk van het drietal. Galema is daarvan het langst actief als archiefvrijwilliger: dertien jaar. Na zijn pensioen als boekhouder stapte van de hedendaagse rekeningen over op die van lang geleden. "Ik heb enkele cursussen gedaan en ben daarna meteen in het diepe gegooid."

Niet elke dag in het leven van de transcribent is even spannend, soms is het zelfs saai, erkent Gresnigt, maar daar staat tegenover dat je veel te weten komt over de lokale geschiedenis. En dat je af en toe een puzzelsuccesje boekt. "Je moet van geschiedenis houden, maar ook van taal en puzzelen", daar zijn de drie het over eens.

Ze hebben aardig wat ervaring opgedaan, maar stuiten toch steeds weer op verrassingen; dat houdt de moed erin. Galema: "Het is een beetje besmettelijk, maar ook hartstikke leuk."

Elke stadsrentmeester heeft zijn eigen stijl, taalgebruik en zelfs zijn eigen spelling. Groene Boekjes bestonden nog niet, iedereen leek maar wat te gokken hoe je woorden moest schrijven. "Zeker bij namen kan dat heel verwarrend zijn."

Gedurende het transcribeerwerk vormen de drie zich langzaam maar zeker een portret van zo'n rentmeester. Ze leren de man een beetje kennen. "De een vertelt er ook eens wat bij, de ander is meer een boekhoudertje", zegt Galema lachend (want hij kan het weten...).

Overigens zijn niet alleen de stadsrekeningen, maar ook die van het Nieuwe Gasthuis en van de kerk onder de loep genomen.

Al die moeite is bedoeld om het de bezoekers van het archief makkelijk te maken. "Vooral voor mensen die geïnteresseerd zijn in genealogie is het van belang", zegt Galema. De meeste archiefbezoekers – of ze virtueel of in levenden lijve langskomen – zijn amateurarcheologen. Ze worden extra geholpen doordat de transcribenten er uitleg bijdoen, onder meer van de Latijnse woorden. Want: "Getranscribeerd wil niet altijd zeggen dat het meteen begrijpelijk is."

Op de site is de periode 1591-1605 nu terug te vinden. 1591 was het jaar waarin Prins Maurits de stad op de Spanjaarden heroverde, waarna Zutphen in rustiger vaarwater terechtkwam. Zo rustig dat het transcribententrio verder teruggegaan is in de tijd en zich heeft gestort op de periode 1571-1590, waarvan ook al een paar jaar op internet staan.

De stad werd in 1572 twee keer veroverd, eerst door Graaf Willem van den Berg en toen door de Spanjaard Don Frederique en zijn manschappen. Plunderingen en moord waren aan de orde van de dag. De armoede sloeg toe. Gresnigt: "Dat staat er dan niet letterlijk in, maar je kunt het uit de berichten afleiden." Galema: "Zo lees je dat twee vrouwen een boete moeten betalen wegens de diefstal van koren. Dat doe je niet als je veel te eten hebt." Ondanks de onbeschrijflijke ellende waaraan Zutphen was blootgesteld, ging op een of andere manier het leven toch verder.

"In '77 is het ergste wel ongeveer voorbij", zegt Kooij, om daar meteen aan toe te voegen dat ze het dan natuurlijk niet over 1977, maar over 1577 heeft... Wie zoveel vrije tijd besteedt aan de studie van een vroegere eeuw, gaat die een beetje als de zijne/hare beschouwen. Om bijvoorbeeld te ontdekken dat toen in de woordenschat van Zutphenees en Zutphenaar heel wat Duitse begrippen voorkwamen. Kooij: "Sommige zinnen in de stadsrekeningen zijn gewoon Duits. Karren worden 'geführt', en 'en' is meestal 'und'." Je hoeft niet lang in de rekeningen te browsen om zinnen tegen te komen zoals: "Meister Peeter Stienmetsseler gegearb(e)it ahn dat Broren Closter anderhalve dach, idem met een opperknech aen die Vispoerte und aldaer zeeckere geschatene gatere thogemaket, hij des dages 10 stuiver und den opperknech 7 stuiver, facit 1 gulden 10 stuiver 1 ort." (1591, opgetekend door opperrentmeester Johans ten Beem).

Uit één zo'n aantekening kun je al aardig wat opmaken: dat er blijkbaar het een en ander hersteld moest worden aan het Broederenklooster en aan de Vispoort, en dat je werd uitbetaald in guldens, stuivers en iets wat hier als 'ort' werd aangeduid: Ten Beems schrijfwijze van de muntsoort 'oord'. "Wat nou zo grappig is: dat woord bestaat nog in het dagelijks spraakgebruik", zegt Kooij. "Als je zegt dat iemand zijn laatste oortje heeft versnoept." Zo ver weg van ons vandaan staat die oude taal nu ook weer niet.

Naast dat soort kleine, aardige ontdekkingen is er ook het grote verband. Galema: "De taal was vroeger veel universeler dan wij denken. Dat blijkt uit dat Duits, dat blijkbaar óók als eigen werd beschouwd. Ja, wat is eigen? Onwillekeurig denk je aan de discussies van nu over eigenheid, over Nederlanderschap." Iedereen, politici incluis, kan van die oude stadsrekeningen nog wel iets leren.

U kon tot 29-02-2008 reageren op dit artikel.


Nu op de homepage

Klik hier voor meer....