Een collega van mij is geboren in 1951. Hij is gezond, werkt met plezier, is jong van geest en klaagt nooit.
Toch komt de stoom uit de oren van deze 60-plusser als zijn naderende pensioen ter sprake komt. Hij heeft het gevoel dat hem onrecht wordt aangedaan. 'Ze' hebben tijdens de wedstrijd de spelregels veranderd, zo foeterde hij gisteren.Zijn boosheid is begrijpelijk. Hij heeft een half leven vutpremie betaald, maar zal zelf nooit kunnen vutten, zijn pensioenfonds heeft zijn ooit riante eindloon tien jaar geleden vervangen door een afgetopt middelloon en nu heeft de Kamer gisteren besloten de AOW in 2020 te verhogen van 65 naar 66 jaar.
Hoe begrijpelijk de boosheid ook is, je kunt bezwaarlijk 'hun' de schuld geven.
Het is nogal lastig om te bepalen op wie je nu boos moet zijn. Ligt het aan de demografie en de economie of ligt het aan de beslissers? De beslissers vormen in ieder geval niet de oorzaak.
Pensioenfonds en overheid kunnen niet anders dan de tering naar de nering zetten. Kortom, ze beslissen, financieel gesproken, enkel wat onvermijdelijk is.
Maar financiële logica en de menselijke maat zijn verschillende grootheden. Wat financieel zou moeten (we moeten doorwerken tot ons 67e) staat onverminderd op gespannen voet met wat bedrijven vragen aan productiviteit en met wat het ouder wordende lijf kan opbrengen.
Hier ligt een taak voor de overheid. De bedrijven moeten hulp krijgen, bijvoorbeeld met fiscale vrijstellingen, om 60-plussers werk te laten doen dat past bij hun soms afnemende energie.
Nu is mijn 60-plus collega gezegend met een sterk lijf en een zonnig gemoed, hij houdt het nog wel vier jaar vol, maar hij is een witte raaf. Als samenleving hebben we niets opgelost als we enkel de financiële kant hebben geregeld. Dan blijft het werk alsnog liggen.



Sorteer reacties











