Onze slager van vroeger heette Mol. Steeds als een van mijn honden met een mol in zijn bek aan komt zetten, moet ik aan hem denken en dat geeft de mol voor mij iets menselijks. Mijn honden vangen wekelijks wel een mol. Niet leuk, maar ik kan er weinig tegen doen. Het zijn terriërs, mollenvangen zit in hun genen.
Zie ook:
Als er één bezigheid is die je kunt vergelijken met 'dweilen met de kraan
open', is het wel mollenvangen. Mollen leven solitair, behalve als er
gepaard moet worden. Dan dringt het mannetje een gang van het vrouwtje
binnen. Soms treft hij een rivaal, waarop een gevecht op leven en dood
volgt. De verliezer wordt vaak opgegeten. Nadat de jongen zijn grootgebracht
worden ze, 4 weken oud, uit het territorium verdreven en wijdt de mol zich
de rest van het jaar aan het beheren van zijn gangenstelsel.
Na de
slak is de mol misschien wel het meest vervolgde dier in de tuin. Terwijl
hij zelf soms helpt bij de slakkenbestrijding. Maar het hoofdbestanddeel van
zijn voedsel zijn regenwormen. Per dag kan een mol zijn eigen gewicht in
wormen opeten.
Over het nut van de mol kun je twisten. Regenwormen
zijn nuttig en een dier dat regenwormen eet, is dus schadelijk. Maar mollen
eten ook emelten, engerlingen en andere schadelijke insectenlarven en zo
maken ze zich weer nuttig. Ook beluchten zij de grond, want hun
gangenstelsel is een uitstekend drainagesysteem. Dat kan nut hebben, maar
wie in een gang zakt en de enkel verstuikt, denkt daar anders over. Laten we
het er op houden dat de mol nuttig en schadelijk is. Dat verklaart niet
waarom de mol zo gehaat is en het beest met klemmen, vergif en rookpatronen
wordt bestreden. Gisteren zag ik zelfs een mollenklem in de wegberm! Maar
zodra een mol is gedood, is er een gangenstelsel vacant en meestal duurt het
geen twee weken of het territorium is door een nieuwe mol ingenomen.
Mollenhaat is niet universeel. Ooit werkte ik als tuinbaas in Ierland en daar
zijn geen mollen. Als het regende schuilden we in de appelschuur en doodden
de tijd met het vertellen van verhalen. Het regende vaak en er werd dan ook
veel verteld. Een verhaal dat ik steeds weer moest vertellen, was dat van de
mol. Ademloos hingen de tuinlieden aan mijn lippen. Een dier dat bijna blind
was en onder de grond leefde, dat altijd in de aarde wroette en toch nooit
vuil werd, daar konden zij nooit genoeg over horen. Daardoor ging ik het
dier zelf ook anders bekijken. De evolutie zorgde hier voor een klein
wonder. Als de VPRO in dit Darwin-jaar nu eens een documentaire over de mol
had gemaakt in plaats van over een miljoenen kostende trip met een zeilschip
vol ijdeltuiten: dat was goedkoper en instructiever geweest.
















U kon tot 07-03-2010 reageren op dit artikel.