DROUWEN - Het wiebelt hier behoorlijk hè?', vraag ik aan een mevrouw in
blauw. "Nou u er zo over begint", zegt ze met een krampachtige
glimlach. "Ik had ook al zo'n idee, maar ik was het net aan het
verdringen. Als je het hardop zegt, word je toch een beetje misselijk."
En weg is ze, de mevrouw in blauw. Ze wentelt zich langs de trap naar
beneden, snel terug naar de vertrouwde zachtheid van het naaldendek op de
bodem van het bos.
Hier, dat is op 22,5 meter boven het maaiveld.
Dat is op het bovenste punt van het boomkroonpad. Drouwen, zo heet het hier
volgens het postcodeboek. Drouwen in Drenthe. Elf jaar geleden ging het
open, het boomkroonpad. Direct vanaf het begin was het een succes en dat is
het nog steeds. Jaarlijks trekken er meer dan honderdduizend mensen langs
het lover. Er zijn dagen bij dat Staatsbosbeheer niet weet waar het autoblik
gestald moet worden, zo populair is het paadje dwars door de kruinen van de
bomen. Zoveel blik in het bos, dat was eigenlijk ook weer niet de bedoeling.
Het is de keerzijde van de medaille, de andere kant van het succes.
Er valt hier nog veel meer te beleven. Er is een mooie picknickplaats en
kinderen kunnen ravotten in het speelbos: klimmen op omgevallen bomen of
zelf een brug bouwen over een vijver.
Het boomkroonpad zelf is een
ijzeren stellage die zich op een wisselende hoogte van tussen de vijftien en
twintig meter langs de kruinen slingert. Wees gerust: het ziet er stevig uit
en zo voelt het ook. Weerszijden is een leuning aangebracht dus wie het niet
vertrouwt, kan zich daar aan vastklampen. Als het hier trouwens niet zou
wiebelen, zou de stellage bij flinke wind afbreken.
Een wenteltrap
brengt je bovenin en een andere wenteltrap leidt je weer naar beneden.
Daartussen loop je kriskras langs en tussen de boomtoppen. Erg lang duurt
dat trouwens niet, maar voor de ervaring zelf is het voldoende. Want laten
we eerlijk zijn: zoveel variatie bieden boomtoppen nu ook weer niet. Geen
eekhoorns die van tak naar tak springen of ondeugend naar damestasjes
grijpen. Ook bijzondere exemplaren van het gevleugelde deel der schepping
laten zich nauwelijks zien.
Staatsbosbeheer laat je echter niet
net zo blanco afdalen als je begon. Her en der langs het verheven wandelpad
hangen informatiepanelen die je vertellen wat er zich achter al die
boombladeren allemaal afspeelt.
Welbeschouwd zijn het ook niet de
beestjes die mij en al die andere mensen naar boven gelokt hebben. Dat we
rechts en links en boven ons alleen maar groen en nog eens groen
aanschouwen, wat maakt het uit? Het gaat vooral om de ervaring van een
boswandeling maken op twintig meter hoogte. Dat moet je toch eens gedaan
hebben.
Een boswandeling op hoogte doet een beroep op andere
zintuigen. Dat is misschien wel de allerbelangrijkste ervaring. 'Zien' wordt
wat naar de achtergrond verdrongen, 'voelen' dringt zich als belangrijkste
zintuig op. Vergelijk het met een nachtwandeling door het bos: des te minder
je ziet, des te meer je ervaart.
Je voelt hier om te beginnen de
wind. Hoe windstil het op het maaiveld ook is, boven is altijd wel een
zuchtje. Het ruisen van het blad versterkt dat nog eens; de zintuigen
versterken elkaar.
Tegelijkertijd voel je hier boven hoe
onstandvastig je bent. Daar beneden kun je je aardig redden, sta je met twee
benen op de grond. Hierboven loop je toch wat onwennig en voorzichtig over
de plankieren, ben je toch heel blij met die stevige leuningen rechts en
links van je.
En dan is er nog de zwaartekracht. Voor me springt
een overmoedig jongetje wat al te haastig op een sterk aflopend deel van de
stellage. Zijn lopen wordt rennen, zijn rennen wordt struikelen, zijn
struikelen vallen. De leuning houdt hem tegen. Hij is te oud al, om nog in
huilen uit te barsten. Maar de grimas op zijn gezicht zegt genoeg.















