Volledig scherm
Verpleegkundige Nathalie Wittebolle. © Joost Hoving

Deze 15 verpleegkundigen waren een hartverwarmende steun in moeilijke tijden

Dag van de VerplegingSommige verpleegkundigen sluit je voor altijd in je hart. Na een oproep aan onze lezers daarover kregen we honderden grappige en ontroerende brieven opgestuurd, als een geschreven monument voor de zorg. Wij selecteerden er 15.

Nathalie

Vijf jaar geleden kreeg ik de diagnose borstkanker en kwam ik terecht op het spreekuur van Nathalie. Met haar mooie Vlaamse accent vertelde ze me duidelijk hoe en wat er met me ging gebeuren. Ze verzekerde me dat ze me erdoorheen zou slepen. En dat heeft ze gedaan. Nathalie toonde zich ontzettend betrokken, was deskundig en behulpzaam en sprak mij moed in op al die momenten dat ik dat nodig had. En in het vervolgtraject had ik dat zeker. Ik mocht haar altijd bellen, geen vraag was haar te gek, het antwoord kwam meteen. Ik heb dat als ontzettend waardevol ervaren. Bij de behandeling van borstkanker heb je iemand nodig bij wie je je op je gemak voelt. En Nathalie was hierin door haar betrokkenheid heel bijzonder! Ik kwam er altijd met nieuwe moed vandaan.


Marijke Dorrestijn, Driebergen.

Ach meid

Quote

Ad heeft mijn ziekenhuis­ver­blijf van bijna drie maanden verzacht

Ineke Jager

Op 12 oktober 1979 reed een automobilist mij aan en zwaar gewond werd ik naar het ziekenhuis gebracht. Artsen opereerden mij van 8 uur ’s avonds tot 2 uur ’s nachts. De volgende ochtend waste broeder Ad mij. Door een broeder worden gewassen was het ergste wat me toentertijd kon overkomen, maar dat ik ook nog ongesteld was geworden, vond ik vreselijk. Huilend zei ik: ,,Nu ben ik ook nog ongesteld geworden.”

Broeder Ad keek me aan en zei: ,,Ach meid, dat kan mij toch ook gebeuren.” In alle ellende proestte ik het uit. Dat ben ik nooit vergeten. Ad heeft mijn ziekenhuisverblijf van bijna drie maanden verzacht.

Ineke Jager (81), Utrecht

Zo intens lief

In 2010 wordt na meerdere ivf-pogingen mijn baarmoeder verwijderd. Het lukt niet om kinderen te krijgen. Het is een verdrietige en verwarrende periode. Na de operatie kom ik op zaal en merk dat ik tegenover de kraamafdeling lig. Ik houd me groot, maar het doet zo’n pijn. Ik zet mijn neutrale gezicht op, ook naar het bezoek. Op de dag van mijn ontslag komt er een verpleegkundige op mijn bed zitten. Ik weet niet zo goed wat ik aan haar heb. Ze vraagt mij naar mijn verhaal en zegt dan: ,,Je bent nog jong om je baarmoeder al te moeten missen. Wil je er met iemand over praten, met mij misschien? Haar gemeende vraag, ik brak. Ze streelt mijn hand. Zo intens lief. Dit was in het ziekenhuis in Almelo. Ik vergeet haar nooit meer.

Harriët Bolink, Almelo

Fried

Volledig scherm
Verpleegkundige Fried Strik. © Joost Hoving

Het is eind september 1997. Ik kom bij van de zware bevalling van mijn zoon op de afdeling Verloskunde in het Ouderijn Ziekenhuis. Hij ligt in een enorme couveuse op de kamer en heeft, wat pas later blijkt, tijdens de bevalling een sleutelbeentje gebroken. Hij huilt veel. Als Fried binnenkomt, formaat Viking, enorme handen en een bulderende lach, dan kan je je schrap zetten: recht voor zijn raap en van een brommerige humor. Maar mijn zoon biedt hij een rustpunt. Als hij huilt, tilt Fried hem af en toe uit de couveuse. Mijn kind van 5 kilo lijkt in zijn enorme handen klein. Hij mompelt dan zoiets van: ,,Ach jochie toch.”

Negen van de tien keer kalmeert mijn zoontje en kijkt hem met grote ogen aan. Ik vind hem geweldig, de enige mannelijke verpleegkundige op een door vrouwen bestierde afdeling. Als hij dienst heeft, is de sfeer ontspannen. Hij heeft die drie dagen in het ziekenhuis voor mij onvergetelijk gemaakt, ondanks mijn zorgen om onze zoon.

Annemarie van Tongeren, Utrecht

PAAZ

Quote

Ze bood mij de sleutel tot genezing, tot verande­ring. Haar eerlijk­heid en compassie vergeet ik nóóit, nóóit meer

Joke Tjallinks

Inmiddels is het jaren geleden, en sorry dat ik je naam niet meer weet. Ik noem je Anna. Soms gaat een mens door diepe dalen. Er zijn dalen waar je zelf weet uit te klimmen, en soms heb je hulp nodig. Mijn psychisch lijden was destijds zo groot dat de dood lokte. Zodoende kwam ik terecht op de PAAZ-afdeling van een streekziekenhuis in Brabant. Het was mijn tweede opname. Ik bleef maar doorgaan tot ik niet meer kon, bleef maar gewenst gedrag vertonen terwijl ik mijn binnenwereld verwaarloosde en zelfs liet afsterven.

Ook op de PAAZ vertoonde ik dat gedrag. Make-up opdoen en de braafste van de klas spelen. Maar ik werd geobserveerd. Vooral Anna had me door. Nadat ik op een nacht in paniek raakte omdat ik letterlijk dreigde te stikken in alles wat ik van me af duwde, wat ik niet wilde zien, stond Anna daar. Zij sloeg een gat in mijn pantser met haar woorden: ,,Je kunt hier weggaan zoals je bent gekomen, maar je kunt ook de uitgestoken hand pakken en gebruikmaken van wat wij je te bieden hebben.” Ze bood mij de sleutel tot genezing, tot verandering. Haar eerlijkheid en compassie vergeet ik nóóit, nóóit meer. Ik zie haar gezicht voor me als ik een moeilijk telefoontje moet plegen: ,,Je kunt het, toe maar; jij bent de baas, jij bepaalt het verloop van het gesprek.”

Door haar leerde ik dat kritiek niet per se kwetsend is bedoeld, en dat eerlijkheid beter werkt dan meepraten. Anna werd mijn baken, mijn houvast op een moment dat ik dat niet in mijzelf kon vinden. Zij is mij allang vergeten, maar Anna... ik vergeet haar nooit!

Joke Tjallinks

Lijkt hij op zijn broertje?

Quote

Als ik bijkom hoor ik een stem. Ik ken die stem, dat is zuster Stronk! Ze heeft haar dienst geruild om erbij te zijn

Elsa Meijer-van der Mijle

Na een moeizame bevalling, breng ik een dood jongetje ter wereld. Het is 21 december 1966, in het Diaconessenhuis in Voorburg. In die tijd vindt men het beter dat wij het kindje niet zien, het zou confronterend zijn en ons bijblijven. Goddank is dat nu beter en liefdevoller geregeld. Een zuster komt bij me en vraagt: ,,Heeft u kleertjes bij u?” Natuurlijk heb ik die meegenomen, maar wel met een ander doel voor ogen. Ze zegt dat ze hem gaat aankleden, en komt mij later vertellen, dat het mooi staat. Dat was zuster Stronk, heel lief en met zuivere intenties, zo ging dat in die tijd!Op 8 augustus 1968 lig ik weer in het Diaconessenhuis. Voor de volgende dag sta ik ingepland voor een keizersnede. Vol goede moed begeef ik me naar de OK en krijg een volledige narcose, wat in die tijd normaal is. Als ik bijkom hoor ik een stem die zegt: ,,Kijk eens wat een mooie zoon er naast u ligt.”

Ik ken die stem, dat is zuster Stronk! Zij heeft gezien dat ik een keizersnede krijg en heeft haar dienst met iemand geruild. Zo bijzonder! Er brandt een vraag op mijn lippen: ,,Zuster, lijkt hij op het andere kindje?” Zij is immers de enige die hem heeft gezien. ,,Ja”, zegt ze, ,,het is net zo’n soort jongetje.
Ik ben zuster Stronk nooit vergeten; ze is de verbindende factor tussen een verdrietige en een gelukkige situatie.

Elsa Meijer-van der Mijle, Voorburg

Het gaat goed hoor!

Quote

Toen riep de verpleeg­kun­di­ge vanuit het glazen hokje: ,,Het gaat goed hoor, meneer Vermaas." Die zes woorden waren precies wat ik nodig had

Krijn Vermaas

Na een katheterisatie in HMC-Bronovo vertelden de artsen mij op 27 mei 2014 dat ik een dotterbehandeling nodig had en er een stent moest worden geplaatst. Dat zou in het Leids Universitair Medisch Centrum gebeuren. Ik zou worden geholpen door interventiecardiologen in opleiding. De ingreep vindt plaats bij vol bewustzijn, omdat de bloedvaten en de kransslagader vrijwel ongevoelig zijn. Een professor begeleidde de cardioloog in opleiding vanuit een glazen hokje. Naast hem zat een verpleegkundige die ik kort had ontmoet. De cardioloog, van Spaanse afkomst, en zijn begeleider communiceerden in het Engels. Blijkbaar ging mijn bloeddruk fors omhoog. Ik kreeg via het infuus een medicijn toegediend en de cardioloog gaf me in het Nederlands de opdracht: ,,Rustig blijven ademen hoor.” Ik antwoordde: ,,Ik doe mijn best”, maar werd uiteraard ongerust. Toen riep de verpleegkundige vanuit het glazen hokje: ,,Het gaat goed hoor, meneer Vermaas!”

Die zes woorden waren precies wat ik op dat moment nodig had. Haar naam ken ik niet, maar ik zal haar nooit vergeten. Inmiddels sport en fiets ik weer als vanouds.

Krijn Vermaas, Den Haag

Een lichtje

Na een bevalling van 24 uur wordt onze zoon Arco levenloos geboren. Ik heb in de weken dat ik al in het ziekenhuis lig, een band gekregen met het personeel, maar nooit, nooit zal ik de verpleegkundige vergeten die met Arco in haar armen naar ons toe komt en zo liefdevol en integer met ons en ons zoontje omgaat. Ik zie dat beeld nóg voor me. Ze heeft ons zelfs een brief geschreven. Als ze me later nog vaak tegenkomt in het ziekenhuis noemt ze mij Roosje. Dank je wel Erica van Sprundel, jij was een lichtje voor ons in een heel verdrietige periode.

Corine Roos-van Ginkel, Woerden

John en Bako

Mijn vader, Henk Hendriksen, heeft vijftien jaar lang geleden aan hartfalen. Deze grote, sterke, sportieve brandweerman moest steeds meer aan kracht inleveren, al verzette hij zich er met hand en tand tegen. Vanaf medio 2013 volgde opname na opname. Alle verpleegkundigen van de afdeling Hartbewaking in het Gelre Ziekenhuis in Apeldoorn behandelden hem goed, maar John Peringa en Bako Sorany toonden zich van onschatbare waarde in de laatste twee jaar van mijn vaders leven. Hun warme, persoonlijke aanpak en zelfs hun stevige knuffels op moeilijke momenten, blijven ons altijd bij.

Zij namen de tijd om naar mijn vaders zorgen te luisteren in de tijd die hem restte. Als Johns dienst erop zat, op afdeling B4 van het ziekenhuis, kwam hij gedag zeggen. Hij knuffelde pa en zei dat hij áltijd mocht bellen. Ook voor Bako was niets te veel. Mijn vader is in de vroege ochtend van 7 april 2015 in alle rust overleden, met zijn gezin om hem heen. Zijn hart pompte nog voor 3 procent. John en Bako vingen ons die ochtend op de gang op. Ook hun verdriet was voelbaar.

Jacqueline van Werven-Hendriksen, Apeldoorn

De poppendokter

Zomer 1948, ik ben 6 jaar en mijn zusje en ik mogen een fietsje huren. We rijden op de brede stoep van de Linnaeusstraat als ik in een bocht onderuit ga. Ik schreeuw. Mijn been zit vastgeklemd tussen wiel en kettingkast. Met een paar beenbreuken lig ik ’s avonds in het Zuidwal Ziekenhuis in Den Haag. Het gips is zwaar, over mijn been is een soort tunneltje gelegd, om de druk van de deken te verminderen. Een zuster komt bij me zitten en houdt mijn hand vast. Ze probeert me gerust te stellen. ,,Kijk maar eens goed, hier liggen allemaal zieke kinderen.” 

Ik kijk om me heen. Ik lig op een zaal met misschien wel twintig kinderen. Aan de tafel midden in de zaal zitten de verpleegsters. De zuster die me ‘s avonds welterusten wenst, neemt er de tijd voor. Zal ze wat voorlezen? Of zal ze een liedje zingen? Na het verhaaltje doe ik mijn ogen dicht. Ze stopt de deken in. De volgende dag komt mijn moeder op bezoek. Ze komt bijna elke dag. Dat is bijzonder, weet ik nu. Ik ben de jongste van negen kinderen. We hadden ook een druk schoenherstellersbedrijf aan huis. Hoe heeft ze de tijd gevonden om mij te bezoeken? Zes weken lang!

Op een dag bracht mijn moeder een echte pop mee, met het hoofdje van porselein en ogen van glas. Het lijfje en de armen en benen waren van een stevige stof gemaakt, gevuld met stro. Al mijn vijf zusjes hadden aan de poppengarderobe gewerkt. Het was een prinsessenpop, vond ik. Na een paar weken wilde een jongen met mijn pop spelen. Ik moest daarover nadenken, maar hij had van die stripboekjes van Flipje van Tiel. Ik kon al lezen, dus dat leek me een goede ruil. De zuster bracht de pop naar de jongen en ik kreeg de Flipjes. Na het avondeten wilde ik mijn pop terug. De zuster kwam met een rode kleur aangelopen. Want wat was er gebeurd? De jongen had te wild met de pop gespeeld en had een van de ogen volledig naar binnen gedrukt. Ik was intens verdrietig. Maar de zuster zei: ,,Dit is een ziekenhuis, dus die pop kan ook beter worden. Ik zal hem zelf maken.”

Die lieve zuster heeft de hele nacht aan de pop gewerkt. Ik kon het zien, want ze zat aan de grote tafel in het midden van de zaal en ik kon niet in slaap komen. De volgende morgen bracht ze de pop bij mij terug. Weer piekfijn in orde. En, het is altijd blijven zitten. Wat een wereldverpleegster. Ik weet niet meer hoe ze heet, maar ik zou haar gezicht nog zó kunnen uittekenen.

Quote

Die lieve zuster heeft de hele nacht aan de pop gewerkt. Ze bracht de pop terug. Weer piekfijn in orde

Clara Hut-Nijdam

Clara Hut-Nijdam, Rijswijk

Cis

Volledig scherm
Portret van oud-verpleegkundige Cis Lebour. © Joost Hoving

Als kind van 10 kwam ik met diabetes in het ziekenhuis terecht. Het was januari 1973, en in die tijd moest je daarvoor drie weken blijven. In het Maasziekenhuis in Boxmeer werkte op de kinderafdeling zuster Cis Lebour, een lieve zuster, van oorsprong uit Indonesië. Ik heb al die weken met haar over de afdeling mogen lopen, en haar overal mee mogen helpen. Zo voelde ik me minder ziek. Toen ik eindelijk naar huis mocht, gaf ze me een ivoren olifantje cadeau. Ik heb contact met haar gehouden, soms ging ik bij haar op bezoek. Ik trouwde in 1983 en kreeg drie kinderen. Door de jaren heen verwaterde ons contact, totdat Cis er per toeval achterkwam dat mijn moeder ernstig ziek was. Ze stuurde me een lief kaartje. Sindsdien zien we elkaar weer een paar keer per jaar. Cis blijft voor mij een bijzondere zuster!

Loes Cox-van Bakel, Bakel

De engel in blauw uniform

Ze zat ineens naast mijn bed. Op de leuning van de stoel. In een blauw uniform. Andere afdeling? Andere wereld? Andere vrouw. Ik lig na te stuiteren van een bizarre zaterdag. De pijn op mijn borst verergert in de loop van de dag. Uiteindelijk is de dokter gebeld en twee uur later ben ik gedotterd en lig ik met een stent in mijn hart in het ziekenhuis. Mijn naaste familie is langs geweest, en ik lig onder permanente bewaking na mijn hartinfarct. Alleen. Mijn eerste nacht breekt aan. Van mijn grote bek is niet veel over. De komende dagen ben ik overgeleverd aan de afdeling Hartbewaking van het Meander Medisch Centrum.

Quote

Ze praat met me en geeft me het gevoel dat ik hier als mens lig en niet alleen als patiënt

Marcoen Hopstaken

En daar zit ze ineens. ,,Hoe is het met je?” vraagt ze. ,,Dat weet ik eigenlijk niet”, antwoord ik naar waarheid. ,,Rotsituatie hé?” Ik kan niet anders doen dan knikken. Ik vecht tegen de tranen. Ze kijkt naar me en knikt terug. Glimlacht. Hoelang ze naast mijn bed heeft gezeten, weet ik niet meer. Wat we hebben besproken ook niet. Ze praat met me en geeft me het gevoel dat ik hier als mens lig en niet alleen als patiënt. Ze besteedt aandacht aan deze immense gebeurtenis, waarvan ik niet eens een begin van een idee heb wat de gevolgen zijn. Die nacht sluit ik mijn ogen in het vertrouwen dat ik op dit moment nergens beter af ben dan hier. De volgende ochtend denk ik aan verhalen over mysterieuze mensen die soms opduiken, precies op het moment dat iemand er behoefte aan heeft. Was dit zo’n ontmoeting? Een dag later zie ik haar nog een keer door de gang lopen. Vergis ik me of zweeft ze echt een beetje?

Marcoen Hopstaken, Amersfoort

Mijn voorbeeld

Gelukkig, daar komt ze. Wat is ze laat en wat heb ik een pijn. Goedemorgen, fluistert ze om de andere patiënten op de zaal niet wakker te maken. Ik schaam me dat ik haar naam niet meer weet, ze was de liefste ooit. En net gediplomeerd. ,,Sorry dat ik zo laat ben met je morfine”, zei ze terwijl ze de spuit aan mijn infuus koppelde. Ze schoof een stoel bij, ging zitten, en spoot rustig de vloeistof erin. Zo ging het elke ochtend als zij er was. ,,Geeft niks, je bent er nu”, antwoordde ik stoer.

,,Vannacht is er een patiënt overleden”, vertelde ze met tranen in haar ogen. Ze noemde geen naam. Ik weet nog hoe ze met veel gevoel haar verhaal deed. Dat was het moment waarop ik, toentertijd 26 jaar, besloot haar als voorbeeld te nemen. Als ik weer kon lopen zou ik verpleegkundige worden. En net als zij het verschil maken. Ik ben inmiddels twintig jaar verpleegkundige. Elke werkdag probeer ik haar te eren door te doen waar zij zo goed in was: altijd mens blijven.

Meyke van Roosmalen, SEH-verpleegkundige, Utrecht

Achterop de fiets

Quote

Zuster An rende het ziekenhuis uit, stapte op een omafiets en wist haar in te halen

Ook na de geboorte van onze tweede zoon, Hugo, raakte mijn vrouw Nolly in een ernstige psychose. Ze was er vreselijk aan toe. Met haar hallucinaties kwam ze in 1969 in de isoleer terecht, ze kreeg een Zweedse band om (sinds 2011 niet meer in gebruik) en ze werd platgespoten. Het was meer dan afschuwelijk. Aan de verpleegsters uit die perioden bewaar ik goede herinneringen. Wat die voor onze zoons, mijn vrouw en mij hebben gedaan, ik zal het nooit vergeten.

Toen Hugo van de babykamer af moest, kreeg hij een plekje achter het bureau van de hoofdverpleegster. Ik moest kleertjes voor hem meebrengen en ik werd uitgebreid op de hoogte gehouden als ons kindje een keer had gelachen. Toen mijn vrouw wat opknapte, kreeg ze een andere kamer en werd ze met veel zorg omgeven.

Op een middag, een prachtige zomerdag, liep ze op een onbewaakt moment weg. Ze wilde naar huis, op haar pantoffels en in haar roze duster. Zuster An rende het ziekenhuis uit, stapte op een omafiets en wist haar in te halen. Met de nodige overtuigingskracht kreeg ze mijn vrouw zo ver, dat ze achterop ging zitten en zo fietsten ze samen terug. Mijn vrouw is er ettelijke keren verpleegd, de psychoses keerden terug. Het is alweer 27 jaar geleden dat ze overleed aan de gevolgen van uitgezaaide borstkanker. De hartverwarmende zorg heeft ons zó goed gedaan.

Albert Verheul, Oldenzaal

Anita

Ik heb heel goede herinneringen aan een verpleegkundige van de afdeling Hartbewaking in het AMC. Ik was ongeveer 14 jaar toen ik last kreeg van mijn hartritme. Na een jaar tobben kwam ik op een dag thuis en kon niets meer. Mijn moeder heeft me de auto in gegooid en ze reed me naar het AMC. Ik bleek in rust een hartslag van 200 te hebben. Er volgde een opname. Omdat ik te oud was voor de kinderafdeling en te jong voor de volwassenen kreeg ik een eigen kamer. En een eigen verpleegkundige: Anita. Tijdens die drie weken in het AMC ontfermde Anita zich over mij als een moeder. Ze regelde dat mijn zusje een nachtje kwam logeren en ze verraste ons met een videospeler waarop we films konden kijken. Als ik me eenzaam voelde, kwam ze bij me zitten. Als ik niet kon slapen, dan dronken we midden in de nacht een kopje thee. Anita heeft mij erdoorheen gesleept.

Na mijn ontslag volgden nog een aantal opnames, onder meer in Utrecht, maar bij niemand voelde ik me zo geborgen als bij Anita. Ik heb haar nooit meer gezien. Ik ben nog eens teruggegaan, maar ze had een andere baan. Ik ben nu 33 jaar en heb soms de stille hoop haar nog even te spreken. Die periode heeft ongelooflijk diepe sporen bij mij achtergelaten. Alleen zij heeft die tijd van dichtbij meegemaakt. Zij zat op de zwaarste momenten aan mijn bed, zij stelde me gerust of sloeg een arm om me heen. Terwijl ik dit zo schrijf, voel ik dat het me weer emotioneert. Ja, Anita was bijzonder.

Sandra Glandorff-Grootes, Krommenie

  1. Zorgen om betrouwbaarheid dna-test: ‘Ronduit gevaarlijk’
    Update

    Zorgen om betrouw­baar­heid dna-test: ‘Ronduit gevaarlijk’

    De Vereniging Klinische Genetica Nederland (VKGN) maakt zich ernstige zorgen over de betrouwbaarheid van dna-tests die bedrijven aanbieden aan particulieren. De vereniging heeft melding gedaan bij de inspectie Volksgezondheid en Jeugd over het zogenaamde ‘genenpaspoort’ van iGene. Dat bedrijf verkoopt leefstijladviezen aan de hand van de uitkomsten van hun test. ,,Mensen krijgen soms onterecht een geruststellende boodschap. Dat is ronduit gevaarlijk.’’