Volledig scherm
columniste phaedra © Vakfoto Van Der Beek

‘De ogen van de dode dieren rusten steeds zwaarder op ons’

columnPhaedra Werkhoven schrijft iedere zaterdag een column over wat haar bezighoudt

Onlangs was ik in het net geopende Naturalis met mijn kinderen. Het is een prachtig museum, waarin in een immens grote donkere zaal alle denkbare al dan niet uitgestorven dieren zijn tentoongesteld. Leeuwen, ijsberen, tijgers, arenden, harpijen, ze staan er als bevroren, als in een dierentuin vol dode opgezette dieren. Sindsdien wringt het.

De aanklacht van de Vegan strikers en organisaties als Animal rights en Animal save en Meat the Victims, heb ik steeds met gemengde gevoelens bekeken. Daar waar de woede het overneemt, vind ik iedere vorm van activisme eng. Daar waar activisten menen het recht in eigen hand te mogen nemen, ben ik al twee keer afgehaakt. Op de Facebook pagina’s van Animal Save, zag ik de Nunspeetse Chickensavers bij kippenslachterijen staan. Ze willen de dieren nog wat liefde en aandacht geven, zo staat te lezen op hun website, ze een gezicht geven. Het dier is voor hen gelijk aan een mens.

Ik moet denken aan een reclame voor hondenvoer uit mijn jeugd, je zag Willem Duys te midden van groep honden en hij zei: ,,Ja lieve mensen, ook dieren hebben liefde nodig.” Daar moesten de mensen toen overduidelijk nog van doordrongen worden. Het was de tijd dat de dolfijnen in het Dolfinarium er lustig op los duikelden en er zelfs nog een orka rondzwom. Het was de tijd dat kinderen –wij dus- degenen waren die het zielig vonden als in een dierentuin een panter in een hokje van zes vierkante meter heen en weer liep.

Ook ik ging met de kinderen naar het circus, we zagen flapperende zeeleeuwen en de hondenshow. En toegegeven, er waren ook tijgers. Tijdens die show, nu zo’n vijf jaar geleden concludeerden we al dat dit toch echt niet meer kon, tijgers. De woedende blik van het grommend ongemak in hun kooien staat me nog helder voor de geest.

In Naturalis keken we onze ogen uit, maar naarmate we voetje voor voetje door het looppad schuifelden, rustten de ogen van de dode dieren steeds zwaarder op ons. Wij keken niet naar hen, maar zij naar ons. Op grote videoschermen zagen we  beelden van al deze dieren in leven en er klonk stemmige muziek. Mijn dochter kromp ineen. ,,Ze kijken alsof ze boos zijn en willen zeggen: red ons.” Ook mijn zoon was er stil van. Onder de verwijtende dode ogen werden wij de schuldigen. Eveneens een aanklacht, als waren we de bezoekers op de crematie van het dierenrijk.