Volledig scherm
Jeroen Krabbé exposeert in de Fundatie het lijdensverhaal van zijn grootvader. Foto ANP

Krabbé schildert lijdensverhaal opa

ZWOLLE - Het is alweer zijn derde expositie in het Overijsselse Museum de Fundatie. Jeroen Krabbé (1944) vertelt nu aan de hand van negen manshoge werken het lijdensverhaal van zijn opa, Abraham Reiss.



Op een dag zou hij 'iets' maken om zijn grootvader te eren. Jeroen Krabbé wist alleen niet hoe hij dit verhaal vorm moest geven. Toen hij in 1998 Left Luggage regisseerde, groeide het plan in zijn hoofd. "Mijn moeder was onder de indruk van deze film maar verder hebben we niet over haar verleden gesproken. Je begon er niet over, dat deed je niet. Na de oorlog kwam de wederopbouw. Ook mijn moeder hoopte dat alles beter zou worden."



Toen Krabbé de rol van Otto Frank speelde halverwege de jaren tachtig, naaide hij de jodenster die zijn moeder in de oorlog droeg, op zijn toneeljas. "Ik gebruik jouw ster", is het enige persoonlijke dat hij ooit over deze periode tegen haar heeft gezegd.


Tijdens de filmopnamen van De Ontdekking van de Hemel in 2001 was Krabbé in Auschwitz. Daar werd de drang groter. Nu, negen jaar later, maakte hij geen film, toneelstuk of schilderij maar een serie manshoge schilderijen. Maanden werkte Krabbé onafgebroken aan het 'lijdensverhaal'. In negen 'statiën' ontmoeten we zijn opa Abraham Reiss (1873-1943) als jonge zelfverzekerde diamantwerker, onwetend van wat hem staat te wachten. Rustend in het gras tussen de lange groene dennen. "Alleen die ene witte berk met de ogen wijst op het naderende onheil. De schuldige boom", zegt Krabbé.

Hij zit hij nog midden in het werkproces. En tilt het ene grote werk na het andere op de ezel in zijn Amsterdamse atelier. Het schilderen viel hem zwaar. "Ik ben heel dicht bij mijn opa gekomen", zucht hij. "Dag en nacht hield hij me bezig. Mijn moeder kon ik helaas niets meer vragen. Maar haar aantekeningen vertelden me genoeg." Zijn moeder Margreet overleed in 2002. Al jaren daarvoor gaf zij Jeroen de vele familiefoto's en aantekeningen over de dood van haar vader en zusje in de Tweede Wereldoorlog. "Met deze schilderijen ben ik een grens overgegaan. Ik schilder nooit figuren. Voor mij was het onzeker terrein. Maar ik vind het prettig dat ik dit heb aangedurfd."

Het joodse gezin Reiss was bemiddeld. Zijn tweede schilderij laat een onbekommerde gezinsvakantie zien in Oostende. Maar op de achtergrond breekt het noodweer los en de schaduw van Abraham verdwijnt symbolisch in zee. "Jaarlijks gingen ze naar de Belgische kust. Mijn opa was een echte dandy, een levensgenieter die van een gokje hield. Waren het niet de paardenrennen, dan stapte hij wel het casino binnen. Alles was nog mogelijk."



Het was zijn laatste vakantie. In 1929, het jaar van de Beurskrach, verloor Reiss zijn vermogen. "De ogen van mijn opa raakten verlamd van de stress en dus moesten mijn moeder en haar zus, kleine meisjes nog, aan het werk."


Het derde schilderij is een tamelijk zorgeloos familieportret met vader Abraham, moeder Kaatje en dochters Margreet en Els Reiss. Krabbé wijst echter op de mistflarden over hun gezichten. "Alleen mijn moeder is gevrijwaard zoals je ziet." Zijn oma was suikerpatiënt en heeft de zwaarste tijd niet meer meegemaakt. "Op de dag dat alle Joden een ster moesten dragen, kreeg ze een hartstilstand", vertelt Krabbé en hij pakt het krantenknipsel erbij waarin het bevel staat van 2 mei 1942.



Zijn tante Els werd niet lang daarna verraden en afgevoerd naar Westerbork. Opa Reiss hebben ze opgepakt in zijn huis in de Jekerstraat, bij de laatste grote razzia in Amsterdam op 20 juni 1943. Hij was een van de 5500 joden die direct naar Westerbork werden getransporteerd. "Mijn moeder was getrouwd met een niet-jood. Daarom heeft ze de oorlog overleefd. Dat is ook de reden dat ik er nog ben", stelt Krabbé beslist.

In Westerbork ontmoet Abraham zijn dochter Els. Maar zonder haar wordt hij afgevoerd in de onafwendbare dinsdagochtendtrein richting het oosten. Krabbé wijdt zijn vierde schilderij aan deze deportatie richting vernietigingskamp Sobibor. De berkenbomen 'met de ogen' spelen een grote rol in zijn beeldverhaal. Krabbé zag ze buiten Zwolle aan de Rondweg richting Wijhe. Ruim dertig witte berken leken hem te volgen. "Het is behoorlijk angstaanjagend. Ze deden me denken aan de bomen in Polen waar veel concentratiekampen waren. De schuldige bomen die alles hebben gezien."


In het achtste schilderij figureren roodbruine ganzen. "De kleur van opgedroogd bloed. Ook zij zijn getuigen van de massamoord", licht Krabbé toe. "Op het moment dat de gevangenen naakt de gaskamers in moesten, werd hun geschreeuw overstemd door opgejaagde ganzen. Er is niet zoveel bekend over Sobibor. De meeste gevangenen werden meteen omgebracht."



Krabbé ontmoette jaren geleden Sobibor-overlevende, Jules Schelvis. Enkele teksten bij de expositie en het bijbehorende boek zijn van de hand van Schelvis. Dankzij zijn herinneringen kon Krabbé zich enigszins een voorstelling maken van de driedaagse reis die zijn opa maakte in de overvolle trein naar Sobibor op 6,7 en 8 juli.



Het vijfde schilderij toont een, in zwart krijt getekende verwarde man. Op de vloer ligt het vertrapte familieportret. Schelvis heeft kunnen getuigen dat in Sobibor per uur duizend mensen werden vermoord. Ook Reiss verdwijnt in de gaskamer, op 9 juli om half 11 in de ochtend. De grauwe rook uit de schoorstenen en witte as op de bomen kenmerken het laatste schilderij. "Een stille schreeuw", zegt Krabbé terwijl hij het doek omdraait. Zijn moeder krabbelde in haar plakboek onder een foto van station Sobibor: "The rest is silence".

De ondergang van Abraham Reiss, van 5/9 tot 6/12. www.museumdefundatie.nl

In samenwerking met indebuurt Zwolle